Stemme: Het waren negen Soldaten. HEt heyligh Beelt bedorven door Adam voort gheteelt, Most tot een straffe draghen Te winnen suur met klaghen Het Broodt voor sijn ghedeelt. 2. Dit kanmen nu bemercken, en hoe het eertijdts gingh;
Aensiet den eersten Spitter, Al was hy een besitter Van 't goud en alle dingh. 3. Dees last leyt op ons' leeden, en druckt de Man en Vrouw; Dus valt'er geen beraden, Die wil sijn buyck versaden, Diens handt moet uyt de mouw. 4. Mijn Ouders en mijn Vrienden die hebben soo ghedaen, En my soo onder-wesen Oock Godts Woort laten lesen, Daer men dat klaer vint staen. 5. Dies soch ick met behaghen al in mijn Ionghe jeught Niet luy en leegh te loopen,
My selven te bedropen Dat was mijns herten vreught. 6. Geen werck kan my verdrieten, ick ben daer in gerust, Al krijgh ick moede leden, Ick ben daer mee te vreden, En singh eens op met lust. 7. Dan valt mijn doen te lichter, en acht het voor gemack: Want op eens anders sweeten Te drincken en te eeten Dat stijft de bedel-sack. 8. 'k Loop op Godts dagh ter Kercken, maer alle daegh te gaen Voor die sijn kost moet winnen, Met Kuypen, Naeyen, Spinnen,
Dunckt my niet wel gedaen. 9. Begeert ghy Godes zegen in dese aerdsche tent, Zijt kloeck in uwen handel, En vroom in uwen wandel, Tot hy die mildigh sent. 10. Nu ben ick oudt van Iaren, en leef op mijn gemack, 'k Heb Huysen, Landen, Renten, Oock Waren om te venten, Op 't Veldt en onder Dack. 11. Sal ick nu voor den Armen mijn handen sluyten toe, Daer Godt my heeft bevolen In stilte en verhoolen Dat ick haer bystandt doe? 12. Ick ben als een Ontfanger van al mijn goedt en gelt,
Dat sal in't Oordeel blijcken, Daer kleynen, grooten, rijcken Al sullen sijn ghestelt.
Cookies on Poetry Cove