Skip to content
1660

D'Amstelsche zang-goddin

F. Verloo

Venus Wraak.

DE blonde Schuim-goddin, gramsteurig om het hoon Haar door Apol gedaan, riep haar gevlerkten zoon,

En sprak: Hoor hier mijn kindt, gy die door uwe schichten Verkrachten kond de kracht der krachtigste gewrichten; Gy die door uwe toorts de heem'len blanken doet, En maakt dat zelfs Jupijn zijn troon verlaten moet, Om met een minder zich, als Juno, te vermaken; Gy die de Koningen op hunnen troon doet blaken, En stookt 'er in de borst een heten Lemnos gloedt; Gy maakt hun slaven van slavinnen, eerst geboeit, Waar voor ze, knielende, als voor een Godheit bogen. Maar waar toe dit verhaal? wat acht ik uw vermogen, Zo lang gy dulden zult dat ik bespot zal zijn Van een vermetelen, een speel-kindt van Jupijn, Diens moeder nergens vond een plaats om hem te baren? Ik zweer u by mijn macht en by deez' blonde haeren. 'k Herzweer u by mijn Kroon, die ik te Paphos voer By Cypres witte strand, en by het parlemoer

Dat my te lande bracht, dat gy mijn leet zult wreken, Of 't zal u nu voortaan aan alle macht ontbreken. Gy weet hoe dat ik ben van dien vermeet'len Godt, In 't by-zijn van de Goôn, van mijn Vulkaan bespot, Toen ik, door zijn beleit, wierd in een net gevangen; Door deze reden, ha! verft schaamte noch mijn wangen. Ik raas en barst van spijt. Ga, scherpt een schicht, en schiet Dien trotzen in de borst; maar dat hy nooit geniet Van iemandt weder-min. Ga, leer hem nu gevoelen Wat dat de Min vermag. Straks zag men 't Guieje woelen, En breken wolk op wolk door zijn gezwinde vlucht: Hy vliegt door 't drijvend' zwerk, en tuimelt door de lucht, Tot dat hy kreeg in 't oog die eer zijn Moeder hoonde. Apollo zag hem wel; maar mits hy hem vertoonde Zo koel als zonder haat, had hy geen achterdocht Dat dezen kleenen Boef hem weêr te honen zocht.

Voort daalt dien Jongen neêr, en schud zijn gulde pijlen Zeer haast ten koker uit, en tijd 'er aan te vijlen. Apol die lacht 'er om, en sprak: Zeg, tenger wicht, Wat doet gy met deez' boog, met koker en met schicht? Waar toe dit wapen-tuig? 't en is u niet van noden: Uw toorts zy u genoeg, 't en past geen minder Goden Te voeren zulk geweer, als my of als Diaan. Straks rees de Min-god op, en zag hem toornig aan; Maar Phoebus voer al voort, en riep: Lang hier gy Jongen, Zo word 'er leeuw, en beer, ja draken door gedwogen, Die gy niet naken derft door kinderlijke vrees. De Min-godt midd'lerwijl die rekt zijn taye pees, En sprak: Gy zoud 'er dan maar op de jacht gebruiken; Maar ik, verwaande, ik zal u 'er door doen duiken. Mit schiet den bengel toe, en riep: Hou daar uw loon, Ik tref'er Goden mee; ga klaagt nu aan Latoon

Dat ik, gelijk Nioob', uw Godheit derf verachten. Voort trek hy noch een schicht, maar van heel andre krachten, Ter vlucht ten koker uit, en treft 'er Daphne meê: Waar op den Parssen God in liefde blaakt alreê. In liefd; maar, ach! wat zal hem deze liefde baten? Zijn hoop is hopeloos, en echter gaat hy voort, En klaagt aan haar zijn min, die na geen klachten hoort. Zy, dover als een rots voor 't bruizen van de baren, Vlucht als een angstig hert, voor jagers net en garen. Hy volgt 'er op het spoor, en roept: Ay! Nimphje, sta! Watvlucht gy voor een God? geen kinkkel volgt u na, Geen lomp of plompen boer, maar een, die is gekomen Van hem, die regen, wind, ja 't blikzem-vuur kan tomen, Of dond'ren, na zijn wil, dat berg en rotze beeft.

Ik ben 't, die door mijn konst den mensch gezontheit geeft; Ik ben 't, die door mijn glans den aardboôm doe verquikken, Die anders in een nacht der nachten zou verstikken. Hoe! vlucht gy even zeer, en word ik niet gehoort? Wel ann, ik volg u na, al vlood gy na de poort, Die Thetis my ontsluit, om heerlik uit te varen, Of na het Rijk van Dis, by d'onderaartsche scharen: Of na den hoogsten Troon, daar zich mijn vader stoelt. Ik rust niet voor ik heb mijn lust met u gekoelt. Wel hoe! ik ben een Godt, en zal ik dan gedogen Dat my een Nimph veracht? 't is best haar nagevlogen: Ik heb de wieken van de liefde nu te baat. Neen, Schoone! denkt 'et niet, dat ik u zo verlaat. Heeft Hippomenes eer zijn Atalant verwonnen, Ik krijg u eindlijk ook: den loop is al begonnen. Ik zweer u by mijn macht, by 't helsch en hemelsch vuur,

Dat ik u streelen zal. Ha! wreede Nimph, hoe stuur En koel gy wezen moogt, ik zal uw lipjens kussen, Uw wangen, hals en mond, en zo mijn vlamme blussen; Wat zweert gy Phoebus toch, uw macht die is onnut? Gy hebt 'er wel, 't is waar, haar loop is wel gestut, Maar zie hoe dat ze leeft; hoor, hoort gy haar niet karme Wat worstelt gy met haar? ze wringt en rekt 'er armen Na haren Vader toe. Zijn steene zetel beeft. Al 't Goddelik geslacht, dat door de vlieten leeft, Roept: Peneus sta by, men wil uw Kindt verkrachten. Gantsch Tempe daverd' en weergalmt op 'er klachten. Uw Vader, gantsch verbaast, en weet niet of hy zal Zijn donder werpen op het donderend' geschal Dat uit de bosschen rijst. Ay! laat' erlos Apolle; Zy is geen Daphne meer; haar lichaam, opgezwolle, Wordt met een schors bedekt. Ach! 't is met haar gedaan.

Haar tong wordt sprakeloos. Ay! Phoebus, schou eens aan, De schors die rijst om hoog, en nadert mondt en wangen. Zie hoe het zilv're nat blijft op haar kaken hangen, En stremt tot kristallijn, gedoopt in jeugdig groen, Ja ieder knopjen wil onwelkb're telgen broên, En baart, terwijl men 't ziet, een kroon van Lauwre-blaâren. Waar is nu 't blank albast, 't koraal en blonde hairen? Helaas! verandert; ach! maar in een lauwre-boom. Geen boom, maar eer een boek, waar uit een rijke stroom Van goude vaerzen vliet, daar ieder maagt kan lezen Wat van 'er schoonheit is, en wat se hoort te wezen: Waar uit een minnaar leert, hoe dat een maagt zijn reên, Zijn toeleg en zijn list, kan met de voeten treên. Had Daphne hem omhelst, gelijk hy met gedachten Haar meermaals heeft gedaan, licht zou hy haar verachten; Maar nu hy ziet hoe kuis en zuiver zy haar rept,

Omhelst hy noch de boom waar in ze is herschept, En wil met zulk een groent' zijn hooft en luit vercieren; Gy zult een teken zijn voor hun die zegenvieren Op een verheven koets, als hy, met handt-geklap, Te Roma word onthaalt van Raad en Ridderschap. O waerd geminde boom, nooit moet uw geur verslensche; Gy strekt een licht, een toorts, een baak voor alle mensche; O voorbeelt van de deugt, die na de doodt noch leeft: Ja deugden in zich zelfs, daar nijdt geen vat op heeft. O haven van de rust, om eeuwig na te zeilen. Uw grond is veel te diep om voor de jeugt te peilen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
D'Amstelsche zang-goddin · F. Verloo · Poetry Cove