Skip to content
1660

D'Amstelsche zang-goddin

F. Verloo

Lefeer en Bartulyn.

Lef. HOe zijt dus verblijdt? Bart. Om dat den Vorst het geldt, Te weten ons rantzoen, nu is ter handt gestelt: Nu, hoop ik, zullen wy haast weêr in Vrankrijk komen. Mijn hert springt op van vreugt, ik kan my nauw betomen; 'k Was by dees Turken lang dit slaafsche leven moe. Bart. Noemt gy dit leven slaafs? Lef. Zijn wy geen slaven? Bart. Hoe, Zijn wy hier niet gezien by d'Adeldom en Grooten? Gaan wy niet aan den dis als eigen bondt-genooten? Heeft ons den Bassa niet van eersten aan bemindt,

Hoewel wy vreemden zijn, gelijk zijn eigen kind? Hebt gy uw leven wel een band of boey gedragen? Wat slaven zijn wy dan? ik schep veel meer behagen Te blijven in den dienst van Zelims Halve-maan, Als by den Lely-heer. Wilt gy? gy moogt wel gaan Lef. Verlangt gy dan niet meer na vader en na moeder? Zijt gy 't hier noch niet moê? waar wil dit heen, mijn broeder? Bart. O neen! mijn Vaderlant, noch geen van mijn geslach Noch vader, noch zy zelfs, die mu ter werelt bracht, Zal my uit dit gewest te rugge-waert doen komen. Lef. Hoe! boert gy Heer? Bart. O neen: want ik heb voorgenomen (Dat gy my wel verstaat,) te sterven hier te landt; Deez' plaats is my te lief. Lef. Dit schijnt een vreemt verslant

Ik moet na d'oorzaak eens van dit sijn voorneem vragen. Maar, Broeder, 'k loof gy moet tot iemand liefde dragen, En dat gy daarom zijt te blijven hier gezint? Bart. Dat hebt gy wel geraân. Lef. Wie is 't die gy bemint? Bart. 't Is die, die door 'er schoont' verdooft de gulde luister Van Phoebus helde glans: 't die de nacht, hoe duister En donkker dat ze is, alleen door haar gezicht Veel meer, of als Diaan, of al 't gestarrent licht. 't Is die, die 'k eindelik haar hart-verherde zinnen Heb, door gebeên gemeukt, bewogen weêr te minnen. Lef. Gy maalt 'er schoont' wel af van die, die gy bemindt; Maar noemt my doch haar naam. Bart. Het is des Bassas Kindt. Lef. Ik loof gy razend zijt. Bart. Gy spreekt als zonder oordeel.

Lef. En gy, na uw gemoet, die 't slimste duit tot voordeel, Wat kondt gy doch van haar verhoopen in het end'? Bart. Genezing voor mijn quaal, en troost voor mijn elend'. Lef. Genezing voor uw quaal, ô! veer-verdoolde zinnen; Wie zag zijn leven ooit een ongelijker minnen? Mijn broeder Bartulyn, zeg, wat vertroosting kan U geven deze vrouw, die u noch my tot man, Schoon 't beid' uw wille waar, zou nimmer mogen krijgen, Vermits wy Kristen zijn? Bart. Gy raads-man, wilt vry zwijgen, Uw raden gelt 'er niet, wy zijn te vast verpandt, En aan elkaar geboeit. Lef. O duldeloze schandt! En aan elkaar geboeit! Bart. Verbonden vast met eeden. Lef. Gy ondertrouwt met haar!

Bart. Ja, dies weest voortaan te vreden. Lef. Gy Bruigom van Ramilt, den grooten Bassas Kindt! Bart. Ik heb 't u eens gezeit. Lef. Hoe zijt gy dus ontzint? Waar holt gy minnaar heen, heel buiten 't spoor van reden? Gy Bruigom van Ramilt! Bart. Ja ik. Lef. Zeg, zijt gy al besneden? Bart. Gy drijft de spot met my; maar, by de Goôn, ik zweer Dat ik besneden ben, ik ben geen Kristen meêr. Lef. Dat wil den hemel hoêem. Mijn ooren, kont gy 't horen! Wat ondeugt zou de deugt dus in mijn broeder smooren? Wat helsche razerny heeft u de ziel vervoert? Maar hoe! mijn broeder veinst, zijn reden zijn maar boert', Hy is op loosheit uit, hy doet het om te weten Hoe ik my houden zou, of hy zich had vergeten.

Neen, broeder, denkt dat niet, dat uwen broeder zou Zo snoden laster-stuk gedogen om een vrouw, Of ik en waar de naam van uwen broêr niet waerdig. Heeft u de Minne-godt geblindt, mijn handt is vaerdig Door Godes hand gesterkt, te trekken van 't gezicht Den schemer-lichten doek van Venus dartel Wicht, Waar onder zo veel gals en schijn-gunst leit verborgen. Bart. Waar of gy u meê moeit? wilt voor u zelven zorger Voor my, ik ben gezint te blijven die ik ben, Of sterven, zo ik die, die 'k ben, niet blijven ken. Lef. Helaas! gy slacht den Vorst, in d'yzre kouw geslot En door het slinks gevel van zijne troon gestoten, Wanneer hy, door den slaap, geniet een weinig rust, Door 't spokent droom-bedrog zich op zijn troon verlust, Gelijk hy voormaals plag zijn landen te gebieden, 't Welk hem het edel bloedt doet in de ad'ren zieden,

Door ydle waan verrukt, gelijk een felle leeuw, Zijn leden kort in een, om, met verwoedt geschreeuw En zabel in de vruist, zijn vyand aan te randen; Maar als hy wakker word, gevoelt hy zich met schande Van hem een slaaf te zijn, die hy te knellen dacht. Gy die al even eens, ala slapend', droomt en tracht Na zulk een bitter zoet, dat u de ziel zal moorden. Ontwaakt dan, Bartulyn eer u de strenge koorden, Van Godts rechtvaerde wraak, neêr-trekken in een dal, Daar 't knagend' naberouw u eeuwig plagen zal. Ha! zoud gy, om een vrouw, u zelven dus vergeten? Gy, die een Kristen zijt, veel beter hoord te weten: Al waar 't des Keizers kindt, en dat gy Zelims zoon Kond worden door de trouw, om na zijn doodt de Kroon Van dit verduivelt Rijk op uwen kruin t'ontsangen, Noch hoord gy zulks t'onrvliên, als 't gift van adderslangen:

Want hy die kroonen schept, en gulde scepters geeft, Hy, die de Voogt-heer is van alles wat 'er leeft, En lijd niet dat men hem op zulk een wijs bespotte. Ach! ach ont zinnig mensch! ha, zot van alle zotten! Bart. Ik zweer u, laffen bloedt, by Zelims Halve-maan, Ja zelfs by Mahomet, en by den Alcoraan, Dat gy die reden zult in uwen boezem kroppen, Of anders zal ik u de laster-mondt doen stoppen: Weet dat ik niet meer ben dien zelfden Bartulyn, Die in het Frans gewest uw broeder plag te zijn: 'k Ben nu een Bassas zoon van 't machtig Barbaryen; Zijn Dochter is mijn Bruidt. 'k en wil noch zal niet lyen Dat gy ter een'ger tijdt van uwe Wet meet rept. 'k Ben een besneden Turk. 't Geluk heeft my herschept En hoger opgevoert; mijn star die is aan 't rijzen; Ik hou u voor mijn slaaf, dies wilt my eer bewijzen,

Eer mijn opgaande zon u met haar stralen veldt. Lef. Wat Duivel, zegt my doch, heeft u in zijn geweldt? Wat voor een blinde zucht doet u de tong dus ryen, Dat gy dus ydel raast, ik wil noch zal niet lyen Dat gy ter een'ger tijdt van uwe Wet meer rept? Verloochent gy dan Godt, die g' eens beleden hebt? Geen eens, maar duizentmaal, ja zo veel duizentmale: Dien Godt, die Nimrots volk, door zo veel mengel-talen, Gelijk voorvluchtig dreef van Babels met zel-werk: Dien Godt, die Pharos heir, gewapent, kloek en sterk, In rood' kristalle vocht, met eenen slag deê zinkken: Dien Godt, die Zodoma dien bitt'ren drank deê drinkken Van 't gloeyend' zolpher-vuur, ontsteken door zijn kragt. Bedenkt met wie gy spot, wat Heer dat gy veragt, Wat Godt dat gy verzaakt; ô! hebt gy oog en ooren, Gedacht en wetenschap op eenen tijdt verlooren?

't Moet zijn, vermits gy blindt, of ziende niet en ziet, 't Geen daagliks door de kracht van zulk een God geschiet. Rukt weêr uw geesten t'zaam, en stiert ze na den hemel, Doorloopt het blauwe veldt, let op het hel gewemel Van 't flonkkerent gestarnt, daar na op zon en maan, En ziet hoe z' op haar beurt te rust en opwaarts gaan: Let hoe de gulde zon, met zijn verhitte stralen, Het parlemoere nat, gantsch brak, kan opwaarts halen: 't Welk namaals weder druipt by zoete druppels neêr. Ziet hoe den hemel pronkt, en voort met buying weêr Vertoont een dikke lucht, vervult met donder-slagen. Van daar daalt nederwaarts, doorloopt de dichte hagen, In bosch, op berg en dal, al 't geene dat 'er leeft, Al 't geen de aard betreedt, al wat op wieken zweeft, Zal van zijn wonder-doen getuige konnen geven: Of zo uw geest van daar noch verder wordt gedreven,

Verlaat het vaste landt, doorwroet Neptunus Rijk, Daar zal het schobbig vee, malkander ongelijk Van wezen en van aart, zijn wonder u vermelden: Ja, al wat hy, volmaakt, van niet in wezen stelde, Schoon 't zelver nier en weet, verbreidt zijn Scheppers lof: En gy, ontaarden mensch, derft hier, in 't heiloos Hof, Een Hoofze Vrou ten dienst, dien sterken God verzweren, Die met een enkkel oog het alles kan regeeren, En oogmerk neemt op al het menschelik geslacht. Wat listige Cireen heeft u hier toe gebragt, Dat gy 'er stappen volgt in een Afgoden Tempel? Geen Tempel, maar een kot, al waar men met een stempel Van Godes lastering, van bloet-schandt en verraat, Het duivels eigen merk in ieders herte slaat. Bart. Hou op! verrander, zwijgt! spreekt van mijn lief met beven, Eer dat deez' gladde dolk wordt door uw bort gedreven,

Op dat ik met uw bloedt, op deze marm 're vloer, Haar waerdigheit beschrijf. De eden, die ik zwoer Aan mijn, beminde Bruidt, die hou ik onbezweken, En gy, noch droes noch hel, zult my die doen verbrek Lef. Vloekwaerde Bartulyn, wat schelm-stuk neemt gy voor? Hoe zal dees gruwl-daat het Kristenrijk in 't oor, Gelijk een donder-slag, aan alle kanten dringen! My dunkt ik zie alreê de wreede Duivels dingen Om 't hevigst na uw ziel; het is noch tijdt, laat af. Vreest gy de menschen niet? vreest gy geen aardsche straf? Zo buig ten minsten u voor Godts gestrenge tooren, Die zich al brullende van zijnen Troon laat hooren, En rukt de Donder t'zaam van 't Westen tot het Oost, Die niet eer rusten zal voor dat gy zijt gerooft, Geschrookt in 't vliegend vuur van scherpe blixem-stralen, Die zijn rechtvaerde wraak zal op uw kop doen dalen,

Al eer gy met Ramilt het bruilofts-bedt betreedt. Of zo zijn tay gedult een wijl de wraak vergeet, Tot dat gy, als Icaar, op nagebootste vleug'len, Zult zweven in uw weeld, uw zinnen zult ontteug'len, Door staatzucht opgevult, in uwe bruilofts-zaal: Dan zal dien sterken Godt de yd'le zege-praal, Van uw onlijdlik feest, aan duizent flarden scheuren; 't Muzijk en maat-gezang met wraak en wee versteuren, En maken 't gantsche Hof een voor-beeldt van uw graf: Dan zal de razerny, uw minzucht tot een straf, Door wanhoop aangevoert, een wreede Gier verschaffen In uw vervloekte borst, om eeuwig u te straffen. Bart. Uw woorden treffen my gelijk een scherpe schicht, Ze dringen my door 't hert; maar denkt niet, bozewicht, Dat ik, om uw geblaf, Ramilta zal verlaten; 'k Ben voor uw reden doof. Laat my den hemel haten:

Dat uwen God vry komt, en pletter my tot gruis. Mijn ziel... Lef. Och! broeder, zwijg; ik hoor alreê 't gedruis Van hem, die op een koets van wolken komt gevaren, Verzelt met donder, vuur en zo veel Engle-scharen, Die hy zijn wil tot straf en wraak-lust doet verstaan: Zijn wreek-boog is al reê, hy mikt, hy leit al aan: Waak op mijn broeder, of gy zult ter hellen dalen. Bart. Gy razende, tza! voort, verlaat dees Hoofze zalen, En geef u onder 't juk van dienstb're slaverny; Vlie voor mijn tooren wech; wijk voor mijn razerny; Flux, berg u door de vlucht; komt nimmer voor mijn ogen, Als met eerbiedigheit, als slaafs en neêrgebogen: Want gy na deze tijdt der slaven slaaf zult zijn. Vertoeft gy noch? 't is wel. Tarquinus en Zarbijn, Gy dienaars, wachters, hou; kom, wilt den dezen binden,

Hy steekt my naar het hert, hy lastert mijn beminde, Hy scheld op Zelims Hof, op Wet en Alcoraan. Waar na vertoeft gy noch? kom, grijpt dien booswigt aan; Hy is mijn broeder niet, maar uit een hoer gebooren. Lef. Mijn Schepper, kont gy dan deez' gruwelwoorden horen Van dezen lasteraar, die u in 't aanzicht vliegt? Gy dienaar houdt uw rust, ik zweer. dien schellem liegt, En tracht door nijdigheit zijn broeder te vermoorden. Bart. Men luistert nu geen meer naar uw vergifte woorden: Ga, preekt nu lang genoeg in een bezwalkte myn, Of onderaardsche kuil, daar zal uw woon-plaats zijn, Tot dat ik met mijn Bruit ben in den echt getreden, Dan zult g' uw loon ontfaan. Lef. Waar toe zo lang? ha, wrede! Koom doot me hier terstondt, zo word uw wraak voldaan. Bart. 'k Zal op een and're wijs met u ten dansze gaan;

Maar wacht, 't is noch geen tijdt. Lef. Mijn Godt! kondt gy dit lyen? Is uw gedult zo groot? Bart. Hy zal u wel bevryen, En redden uit mijn handt; hebt gy maar goeden moedt. Lef. Wat broeder heeft 'er ooit zo op zijn broêr gewoedt? Bart. Ik zal dan d'eerste zijn. Voort, brengt hem weg zoldaten. Lef. O monster! ô Tyran! Bart. Dit schelden kan niet baten.

VErschuil u, ay! al-ziende zon, Bestraal niet meer de aard, Verberg uw glans in Thetis bron, Dees moord-kuil is niet waardt Dat gy uw held're stralen Laat op'er daken dalen:

Herschept nu een drie-dubb'le nacht, Als in Alcides eeuw, Terwijl een lam, uit Frans geslacht, Nu in een Turksche leeuw Herschapen, derft verachten Een God, zo sterk in krachten: En, ach! met opgeblazentheit Dorst na zijn broeders bloedt, Om dat hy hem de waarheit zeit, Hoe Godt zijn wreek-vuur doet Op zulke menschen dalen, Die dus al willens dwalen Van 't spoor der rechte billikheit, En knielen voor 't altaar, Met moord en schennis ingeweid, En als een huichelaar,

Ten dienst der Hoofsche vrouwen, Verloochnen eer en trouwe: O meer dan waerd gevloekte min, Wat onheil baart gy niet: Als gy de jeugt, te dom van zin, Die na geen afkomst ziet, Dus buiten spoor doet loopen: Die ziel en lijf verkoopen Om een Zemiriamus blank, Geciert met krullent hair, Te strelen weinig nachten lang, Die hen voor 't moord-altaar, Gelijk een offer, leyen: Wanneer ze met 'er beye In 't hevigst van 'er lusten zijn, Dan speelt 't bedrog haar rol,

En schenkt 'er bitter zoet fenijn, By gantsche kroessen vol, Waar door z' in 't zuizebollen Uit haar liefs armen rollen, In 't nare Stix vol gruwlikheit, Daar hen voor eeuwig is Het vuur van Godes wraak bereit, Daar zy, te laat! maar wis Gevoelen dan de krachten Van God, die z' eerst verachten. Zo zuipt nu Bartulyn 't vergift Daar hy aan barsten zal, En door een hete minne-drift Werkt zelfs zijn eigen val, Door 't moorden van zijn Broeder. O Tyger! veel verwoeder

Dan Romas wrede Moeder-beul, De stacy is al reê: U naakt een trouw-dag zonder heul, Daar niet als herten-wee En droefheit op zal volgen. Den afgrondt, gantsch verbolgen, Die steets van gruw'len zwanger gaat, Baard nu, door vuur en damp, Een spook, dat zich ter neder slaat; Daar hun vergifte lamp, Voor Hymens toorts, zal blaken, Om, eer gy komt te naken Het lang-gewenschte bruilofts-bedt, Uw goddeloze ziel, Noch met uw broeders bloedt besmet, Te drijven na de kiel,

Die u door Sty gis baren Ten afgrond in zal varen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
D'Amstelsche zang-goddin · F. Verloo · Poetry Cove