8.
Zy, zonder mededogen,
Ontnam my straks mijn toorts-licht, boog en schichten:
De blind-doek van mijn oogen,
En sprak: hoor toe, baldadigst aller wichten,
Hier zult gy staan,
Gy zult voortaan
Geen dwinglandy meêr plegen:
Zy is gevloden,
En hielt, ô spijt van Goden,
Zo de zege.