IV.
Hoe aardig toont zich hier 't bedrog in schijn van waarheit!
Hoe vleit de geile Vorst de Herderin Faustyn!
Wat zweert hy eed op eed by Phoebus licht en klaarheit!
Om dat dees Herderin hem zou te wille zijn.
Ha! gy verwijfde Prins, mindt gy haar aardigheden?
Zo koopt haar door de trouw, zo kondt gy zonder moeit
Genieten deze vreugt; waar toe al deze eeden?
Maar 't is een geile brandt die in uw boezem gloeit.