III.
Werp, werp dus elke heilige gedachte neder
als 'nen versleten mantel die voor't gure weder
niet meer bescherremt, als 'nen slechten gaanstok: zoek
naar eenen kruisweg en werp haar in d'eersten hoek;
dan, buk het hoofd en keer in 't midden van 't geschater
der menigt weer; daar, blindlings, zonder doel, als 't water
dat wegvliet, ver van 't pad door de ouderen gebaand,
doorreis dees schurfte wereld, heel alleene gaand;
druk geene hand, geen voorhoofd op den weg; en, zoo ge
het kunt, stap tot het eind, 't hart ledig, 't oogscheel droge,
en als de dag zal komen dat ge, een' moeden man
gelijk, op eens zult stilstaan moeten, als gij van
's doods kilte uw' hersenen uiteen zult voelen drijven
en in uw' holle beenderen de merg verstijven,
dan, om het kort te maken, zoo gij't stervend oog
nog wendt toevallig naar d'onmeetbren hemelboog,
gedenk, zieltogende, dat niemand woont daarboven;
sleep in 't naburig veld u, raap 'nen steen, 'nen groven,
leg uwen kop er op, druk met uw' buik den grond,
laat alles gaan als 't gaat en barst gelijk een hond.