De Lier des Grijsaards.
Ach! 'k beleefde zalige dagen:
eens bezong ik op mijn' lier,
blij, omringd van vriend en magen,
't heil van Vlaandren mij zóó dier.
't Onweer heeft dit heil verdreven...
sloeg mij mede in de armoè neer:
mijne lier is mij gebleven, -
maar 'k bespele ze niet meer.
Zou ze lustige klanken geven
tot vertroosting van mijn hart?
neen, niets glimlacht nog in 't leven
na zóó lange jaren smart.
- Zou ze bittere tonen slaken,
daar ze 's Vlamings val bekloeg,
en mijn' wond nog dieper maken?...
neen, mijn' ziel, gij lijdt genoeg.
Ziet, daar hangt ze, en schijnt te treuren,
eenzaam, aan den naakten wand...
Kon het eenmaal nog gebeuren
dat ze klonk voor 't Vaderland,
ware mij die vreugd beschoren
mocht ik, na 't beproefde wee,
Vlaandrens welvaart weer zien gloren,
dan verliete ik de aarde in vreê!