IX.
Daar ploegt de Polderboer door 't broek, en zingt zoo opgeruimd en blij: 'k ben grijs, maar nog gezond en kloek 'k ben arm, doch niemand ik benij. Benijders haken steeds naar meer, met weinig heb ik ook genoeg ik stel in schatten niet mijne eer, maar wel in 't werken laat en vroeg. Vroeg en spà, spade en vroeg, dat het goede nooit stille sta! zingt de Polderboer bij de ploeg.
Van 's morgens als de zonne kijkt door 't dundoek van den polderdauw, terwijl de bleeke maan nog prijkt, is reeds te been mijn brave vrouw. Ze ontsteekt den haard, helgloeijend rijst de vlam, het water ziedt, en klaar is dra de koffij, wijl ze spijst ons koeikens: Mie en bonte Blaar.
Vroeg en spâ, spade en vroeg, dat het goede nooit stille sta! zingt de Polderboer bij de ploeg.
Mijn Riekus wordt ne struische gast hij ziet zoo geerne buurmans Trien; en hoe ze voor mijn' jongen past heb ik, begut! reeds lang gezien; 't was avond, onder d'appelaar hoorde ik zacht fluistren: hier is 't goed, Het Trientjen zoende Riekus daar en zeî: wat is de liefde zoet! Vroeg en spâ, spade en vroeg, dat het goede nooit stille sta! zingt de Polderboer by de ploeg.
Welnu ze trouwen, want ik zeg, door 't huwlijk wordt de mensch volmaakt hoe jonger op dien breeden weg, te heter is 't dat leven smaakt. Dan komen frisch van hert en kop, de kleintjens in ons plaats gesneld, zoo volgen we aan elkander op gelijk de golfkens in de Scheld',
Vroeg en spâ, spade en vroeg dat het goede nooit stille sta! zingt de Polderboer bij de ploeg.
Mijn poldergrond, mijn moederspraak, die zijn mijn al, mijn hemelrijk, ik leef door hun in stil vermaak, in vrijheid, aan mijn' Scheldedijk. En mijn geloof aan deugd en pligt versterkt mijn hoop, 't bedrog verdwijnt; wanneer door 't werk elk welvaart sticht en liefde in ieders boezem schijnt. Vroeg en spâ, spade en vroeg, dat het goede nooit stille sta! zingt de Polderboer bij de ploeg.
Zoo blijf ik rustig van gemoed, 'k doe ieder wel, 'k veracht het kwaad; 'k min de aard, die voor ons wondren doet, het menschdom, dat steeds voorwaarts gaat. En leg ik mij ten grave neêr, beminden, maakt toch geen getreur, wij bloeijen hier zoo heerlijk weêr in sappig kruid en bloemengeur.
Vroeg en spâ, spade en vroeg, dat het goede nooit stille sta! zingt de Polderboer bij de ploeg.
Cookies on Poetry Cove