X.
En sprak vriend avondwind mij van de lieve Schelde,
hoe streelend was het niet hetgeen hij mij vertelde!
hij zong van maneschijn stilglimmend op de baren,
van vischkens zonder zorg, die spelend ommevaren,
van leliën die lachend toe en openspringen,
van vogelkens, die gul en onkekommerd zingen.
En sprak de morgenzon mij van de lieve Schelde,
hoe wonderschoon was 't niet hetgeen ze mij vertelde!
van lievekens, die droomend aan de zoomen dwalen,
en schuilend zich in 't loof, waarop haar gloênde stralen,
niet ziende wat ze daar in 't halve duister deden,
zoet glansden hun blij licht vol liefdes heimlikheden.
En sprak mij 't rietbosch van de wonderschoone Schelde,
hoe vrolijk was het niet hetgeen hij mij vertelde!
in lentepracht bekleedt zich 't strand door 't weeldrig fleuren,
in zomernacht is 't louter bloem en liefdegeuren,
in herfst hoe juicht de vloed: de vrucht breekt haren kluister,
en 's winters blinkt zijn ijs vol diamantenluister.
En toen ik 't vaarwel zei aan mijne lieve Schelde!
hoe streelend was het niet hetgeen ze mij vertelde:
indien natuur 't geheel in zang en wellust baarde,
dan moet het alles vreugd en min zin op deze aarde,
en heerscht hier nog het wee, o, blikt dan niet naar boven,
maar leert, en werkt, en mint, gij zult het kwade dooven