Skip to content
1861

Nieuwe liedekens (onder pseudoniem G. Hendrikssone)

Emanuel Hiel

VII.

Wij visschers van de Schelde, wij visschen in de nacht dan is het al zoo lustig, zoo rustig, en 't waterken vloeit zoo zacht.

Wel zwijgt de kleine vogel en 't waarom, weet hij best. Hij ligt te pluimenstrijken bij 't gaaiken, zoo zalig in 't wollige nest.

Geen sterken moet ons lichten, het vischjen is ons licht, wanneer 't in 't netjen dansend, goudglansend, lief schemert in ons gezicht.

En woelt het woeste weder, en waait het windjen hol; wat kan ons dit bescheren in 't keeren. naar huis met den netzak vol.

ons leven is geen droomen noch siddren voor de hel, wij denken die hier braaf is, geen slaaf is, gelooft aan geen gekkenspel.

Waarom ons zelven plagen met waan en ijdlen schijn? Mensch zijn wij onder menschen en wenschen dat elk zoo wilde zijn.

Is dan wat ruw ons handlen, 't is frisch als 't groene strand waaraan we ons leven winnen en minnen zoetliefken en 't vaderland.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nieuwe liedekens (onder pseudoniem G. Hendrikssone) · Emanuel Hiel · Poetry Cove