Mijn Hertelust.
Zoo aardig dreunt van tijd tot tijd een liedjen in mijn hert, dan eens zoo zoet, zoo hoog verblijd, dan wêer vol wilde smert. Het klinkt eens uit de malsche wei, waar bloemen bloeijend staan en koeikens in den zoelen mei al loeijend grazen gaan.
Dan trilt het deuntjen uit de schouw, waar 's winters aan den haard, ons volk, zijn oude wijs getrouw, in vriendschap zich vergaàrt. En als het onweêrt, en de lucht zoo droef naar ruimte hijgt, dun kreunt het lied gelijk 't gezucht, dat uit de waters stijgt.
Het kweelt ook in het lomrig bosch, waar 't vinkjen kwettrend fluit, daar galmt het vrolijk, hupsch en los, of 't schiet al schatrend uit, wanneer, het hert vol levenslust, een paarken, zacht gezind, zich kust en zalig wederkust en geen verzading vindt.
Doch waar de wrevel wrokkend woedt, en waar men 't leven doodt, daar roept het: ‘menschen, broeders, moed! Geen wanklen in den nood!’ Daar brengt het liefde, hoop en licht aan al wie lijdt en strijdt; terwijl het al wie onregt sticht veracht, vermaledijt.
o Liedjen, liedjen wonderbaar, dat uit mijn ziele stroomt, 'k vraag niet wanneer, van wien, van waar gij in mijn binnenst koomt. Doch, of de vreugd mij streele en troost', bekamp' mij 't naar verdriet, klink immer luid en onverpoosd, mijn hertelust, mijn lied!
Cookies on Poetry Cove