III.
Dat waren wel zoete beminden: Zij dreven op d'adem der winden met 't bootjen door 't hupplende nat; zij hielden zich minlijk omarremd, van innig verlangen doorwarremd, en waren van liefde zoo zat... Dat waren wel zoete beminden.
De sterrekens lonkten in 't water, en lachten bij 't lustig getater van 't bloeijende, stoeijende paar. De geluwe roos was aan 't fleuren en wasemde vriendlijke geuren als wierook voor hem en voor haar. De sterrekens lonkten in 't water.
Daar trilde haar stemmeken teeder, en krachtiger galmde 't hij weder wat zij toch zoo jubelend zong: ze spraken van betere stonden, van Vlaanderens grootheid, verzwonden sinds 't volk zijne tale verdrong... Daar trilde haar stemmeken teeder.
Ze roerden de goudene snaren en schalden: ‘gelukkige jaren, o, heilvolle stonden, ge keert! ge keert. wen de meisjens en knapen niet blijven hun geestkracht verslapen terwijl men hun' landaard verneêrt.’ Ze roerden de goudene snaren.
‘Want kampen voor 't regt is beminnen, En al wie nog hert heeft en zinnen, en al wie gevoel heeft en geest, die kunnen ons volk niet zien lijden, hun godsdienst wordt lieven en strijden, dat dweepers noch lasteraars vreest. Want kampen voor 't regt is beminnen.’
Dat waren wel zoete beminden: Zij zongen bij 't jollên der winden,
van liefde en van leven en regt: en 't eeuwige sterrengeflonker getuigde door 't heimlijke donker van liefde en van leven en regt! Dat waren wel zoete beminden.
Cookies on Poetry Cove