VIII.
Wie kent het Scheldemeisjen niet, de slanke ranke deerne, die vriendlijk iedereen beziet, die ieder ziet zoo geerne. Zoo menig hert heeft zij gewond, maar nooit heeft zij gelogen; haar ziel blinkt in heure oogen, haar hert zingt in heur' mond.
Als versche krieken aan den stok zoo blozen hare wangen: haar blanke tanden, bruine lok verwekken elks verlangen. Gelijk een roos door d'avondstond met purper overtogen, zoo blinkt ze in ieders oogen, zoo streelt zij ieders mond.
Des zondags danst zij op het strand, terwijl de golven zingen, en huppelt, schaatrend over 't zand als had haar voetjen zwingen. De jonge boeren staan er rond en fluistren blij bewogen: haar ziel blinkt in heure oogen, haar hert zingt in heur' mond.
Ook ieder wenscht ze zich tot bruid: wie zal dit wenschen laken? zulk vrouwtjen kan den dwaasten guit door min verstandig maken. Gelukkig hij wien ze is gejond, die in heur' arm gevlogen, zijn blik straalt in heure oogen, zijn mond drukt op heur mond.
Ten slotte, 't Scheldemeisjen is wat lot haar ook omstrengel', indien er englen zijn, gewis zoo schoon gelijk een engel. Van inborst rein, van zin gezond Zoo wordt ze nooit bedrogen: haar ziel blinkt in heure oogen haar hert zingt in heur' mond.
Cookies on Poetry Cove