II.
Zij.
Hert, mijn vurig herte
Zijt nu blij te moe;
want er lacht uit 't wiegsken
u een jongsken toe.
Schonk mij steeds uw liefde
zoete vrolijkheid;
zie, mijn dierbaar schaapken
schenkt mij zaligheid.
't is in wee gekomen,
maar wat is de smert,
als ik 't kind mag drukken
aan mijn moederhert?
Mannen gij voelt 't heil niet,
dat een moeder heeft,
als zij aan heur wichtjen
bloed en leven geeft.
Kom nu hier mijn jongsken
spartelt in mijn' schoot
met uw poesle beentjens;
want zoo wordt gij groot.
Zijt ge eens man geworden,
kind vergeet dan nooit,
dat slechts ware liefde
't menschenleven tooit.