V.
OP HUN GRAF. Mijn kindren lief, treedt nader, hebt moed, weest niet vervaard; hier rust uw oude vader met moeder onder de aard.
- En kijkt op hunne graven bloeit geurge roosmarijn om hunne spreuk te staven: de min zal eeuwig zijn.
En toen de dood hen scheidde, toen vader moeder liet, wat hij haar stervend zeide, - neen, dit vergeet ik niet! En wat ze mij herhaalde, vóór zij heure oogen sloot, natuur den tol betaalde, is sterker dan de dood.
‘De liefde kind is 't leven en 't licht in sombren nacht; de liefde steunt elks streven naar regt en moed en kracht; zij is een schoone klare, een eeuwge dageraad; zij is het goede en ware, dat ieder mensch verstaat.’
En kijkt dit noeste biêken, 't kruipt in den bloemenschoot
en 't bromt een minneliêken stil spottend met de dood. En 't zuigt daaruit de gaven om ons in milde vreugd te lichten en te laven met glans en zoet geneugt.
O liefde, wereldsch wezen; gij eeuwge scheppingskracht, nog komt ge uit 't graf gerezen in zang en bloemenpracht; des, wie in 't aardsch gewemel door haat niet is verblind, heeft zeker hier zijn' hemel, wanneer hij maar bemint.
Cookies on Poetry Cove