II.
Verscholen zat ik in het riet
en 'k hoorde een raar gefluister,
ik blikte door het duister:
daar zweefde een bootjen op den vliet,
en in het bootjen zat een paar,
een paarken pratend naast elkaar.
En de watervogel zong zijn lied,
kerekiet, kerekiet!
dat is de liefde niet.
Ze zeiden dit, ze zeiden dat;
het meisjen sprak van trouwen;
de jonker sprak van bouwen
en huizen koopen in de stad.
Noch jeugd, noch schoonheid wierd geteld:
hun hert riep geld, hun mond riep geld;
En de watervogel zong zijn lied,
kerekiet, kerekiet!
dat is de liefde niet.
En toen het bootjen kwam aan 't land,
dan zwegen zij en scheidden;
maar, och, geen een van beiden
die gaf een' zoen, die gaf een hand.
Zij gingen henen droog en stroef,
wat is de baatzucht dom en droef.
En de watervogel zong zijn lied
kerekiet, kerekiet!
dat is de liefde niet.