II
O zoete ziele mijn, wat deed ik u?
Waarom verbergt ge u voor mijn blikken nu?
Ik weet dat ge in een' andre lieft en leeft,
Hem rozen en mij dorre dorens geeft, -
Hem rozen, die zijn ziele mild doorgeuren,
Mij dorens om mijn herte wreed te scheuren.