IV
En gij zijt toch de lieflikste aller vrouwen,
Die ooit door de Almacht is op aard gezonden;
Veel frisscher dan de roos bij morgenddauwen,
Gevoelt zich elk aan zooveel schoons gebonden.
O, wie u zag en zich niet overliet,
Die kent de kracht der zoete liefde niet;
En wie u zag en is zijn zelfs gebleven,
Bezit geen herte noch gevoelt geen leven.