III
Er drijft, zoo zachtjes door den wind gedragen,
Een rei van zilverwolken door de lucht,
Om u, o hemelsch schepsel, te behagen
En u te groeten vol van blij genucht. -
Om u te groeten en om na te spieden
De schoonheid van uw godlik aangezicht;
Om u te groeten en u aan te bieden
Den milden glans van 't streelend manelicht!
Maar zie, de reie spiegelt zich zoo teder
In 't licht waarvan uw lieflik wezen gloort
En keert gestaâg op hare bane weder,
Door uw betoovrend schoon bekoord.