III
Ge waart de hoop eens van mijn minnend hert,
En sedert gij de hoop eens andren werdt,
Herinnert ge u niet meer hoe 'k eens, zoo blij,
Verloren was in u en gij in mij?
Denkt gij aan dit verdwenen heil niet meer?
O zaalge tijd, waarom keert gij niet weêr!