Sibyla, aangebeden kind.
I.
Sibyla, aangebeden kind,
zoo wispelturig als de wind,
die louter zielevreugde vindt
met herten doen te smachten,
die gij door uwe schoonheid blindt
en aan uw' zegekarre bindt,
terwijl ge toch geen een bemint,
hoe zij naar u ook smachten.
Is 't niet uw blauwig oogenpaar,
uw blond gestruiveld fulpenhaar,
uw' stem, als eene harp zoo klaar,
die ieders ziele vangen?
ik weet niet, maar ik word gewaar,
waar ik ook ben, waar ik ook vaar,
dat ik toch altoos, altoos naar
uw' liefde blijf verlangen.
Eens, 't was in 't schoone jaargetij,
ging ik zoo zalig naast uw' zij',
uw beeld versmolt zich gansch in mij,
ik wou u min betoonen;
gij lachtet, hiet het gekkernij,
doch waart zoo goedgezind en vrij,
om mijne liefde, uit medelij,
met geenen spot te loonen.
Bevallig meisjen, is 't mijn' schuld,
dat steeds mijn hert met u vervuld,
geen ander beeld dan 't uwe duldt?
o, 'k heb het God gezworen:
dat ik, waar ge u ook wenden zult,
hoe ge ook uw englen neusken krult,
u volgen zal met mijne huld',
al moest ik gaan verloren!
Sibyla, godgewijde meid,
eens daagt de hemelsche eeuwigheid
voor allen die in zedigheid
met 't hert vol liefde leven;
o, als uw' ziel van 't lichaam scheidt,
moog dan in 't licht dat zij verspreidt,
mijn geest vol vuurge teederheid
lofzingend, juichend zweven.