II.
Regen, bliksem, donder.
Het regent, regent, regent,
het regent zoete kussen,
die op mijn' brandende lippen
mijn' dorstige min niet blusschen.
Ik zie terwijl het regent
de bliksem vurig flonkren,
uwe oogen stralen zoo gloeijend,
mijn liefken, in den donkren.
Daar rommelt nu de donder,
wie zou er niet van schroomen?
nu loop ik henen, zoet liefken,
want 'k hoor uw' vader komen.