Skip to content
1863

Gedichten 1861-62

Emanuel Hiel

I.

Hoe zal ik u toch noemen! wanneer uw' blikken in mij schijnen en al mijn lijden doen verdwijnen; wanneer uwe oogen liefde stralen en, als de beken in de dalen, de bloemekens zoo frisch besproeijen, mijn hert met zoeten lust bevloeijen: hoe zal ik u toch noemen?

Hoe zal ik u toch noemen! wanneer gij in het kruid verscholen, waar vogelen vol liefde in dolen, een licken zingt zoo engelachtig, zoo los, zoo fijn en toch zoo krachtig, dat mijne ziel begint te springen en niets haar' vreugde kan bedwingen. Hoe zal ik u toch noemen?

Hoe zal ik u toch noemen! wanneer uw' lippen, geur'ge rozen, waarop de deugd de reinheid blozen, als englen aan de poort van 't leven, mij willen warme zoenen geven; wanneer uw' zachtgekleurde wangen, met vreugd mijn' heeten kus ontvangen; hoe zal ik u toch noemen?

Hoe zal ik u toch noemen! bezat ik d'eêlste taal der talen, waaruit ik 't zoetste woord kon halen, dat ooit een stervling heeft vernomen; dan zou uit mijnen boezem stroomen, dit woord, als een gebed van minne voor u, o heilige engelinne; Hoe zal ik u toch noemen?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gedichten 1861-62 · Emanuel Hiel · Poetry Cove