I.
Hoe zal ik u toch noemen!
wanneer uw' blikken in mij schijnen
en al mijn lijden doen verdwijnen;
wanneer uwe oogen liefde stralen
en, als de beken in de dalen,
de bloemekens zoo frisch besproeijen,
mijn hert met zoeten lust bevloeijen:
hoe zal ik u toch noemen?
Hoe zal ik u toch noemen!
wanneer gij in het kruid verscholen,
waar vogelen vol liefde in dolen,
een licken zingt zoo engelachtig,
zoo los, zoo fijn en toch zoo krachtig,
dat mijne ziel begint te springen
en niets haar' vreugde kan bedwingen.
Hoe zal ik u toch noemen?
Hoe zal ik u toch noemen!
wanneer uw' lippen, geur'ge rozen,
waarop de deugd de reinheid blozen,
als englen aan de poort van 't leven,
mij willen warme zoenen geven;
wanneer uw' zachtgekleurde wangen,
met vreugd mijn' heeten kus ontvangen;
hoe zal ik u toch noemen?
Hoe zal ik u toch noemen!
bezat ik d'eêlste taal der talen,
waaruit ik 't zoetste woord kon halen,
dat ooit een stervling heeft vernomen;
dan zou uit mijnen boezem stroomen,
dit woord, als een gebed van minne
voor u, o heilige engelinne;
Hoe zal ik u toch noemen?