Mijne Drievuldigheid.
Vaderland, het volk en 't liefken
zijn de schoone drij,
die in mijne zinnen spelen,
die mijn herte kunnen streelen
waar ik immer zal van kwelen
liêkens gul en vrij.
t Vaderland hel volk en 't liefken
zijn mijn' schoone drij.
't Vaderland, het dierbaar Vlaandren!
noem mij eene streek,
waar de jongens sterker bloeijen,
waar de meisjens reiner gloeijen,
waar de kunsten blijven sproeijen
als een' frissche beek.
't Vaderland, het dierbaar Vlaandren,
noem mij zoo een' streek?
't Volk, het volk door gansch de wereld,
min ik overal.
't Moet, eilaas, zoo veel toch lijden,
tegen dwang en armoê strijden;
kon mijn deuntjen 't volk verblijden;
'k zong met luid geschal:
'k min u, volk, door gansch de wereld,
'k min u overal.
Niemand kent mijn aardig liefken,
niemand dan mijn hert.
Heeft haar mond mij soms bedrogen,
hare blauwe schelmenoogen
hebben mij steeds opgetogen.
als ik leed aan smert.
Niemand kent mijn aardig liefken,
niemand dan mijn hert.