III.
Dubbel gevoelen.
Ach, mijn land verstaat mij niet,
het begrijpt dan nimmer,
hoe tweevoudig klinkt mijn lied,
maar vol hert toch immer.
Hoe ik tevens deuntjens zing
vol van 't droefste lijden,
en dan weder liêkens breng
vol van zoet verblijden.
Mensch ben ik, maar burger ook,
'k ben als mensch zoo rustig,
doch als burger voel ik ook
niets, dat mij verlustig'.
'k Zinge vaak van vreugd en trouw
denk ik aan mijn' vrouwe;
als ik 't vaderland beschouw
ween ik vaak van rouwe.
Ook de bloem der liefde smukt
schoon mijn minnend herte,
maar de doornekroone drukt
ook mijn hoofd vol smerte;
en zoo zijpelt 't warme bloed
uit mijn' heeten schedel,
en zoo valt een blaadjen zoet -
geurend op mijn' vedel.