Skip to content
1688

Tobias

Elizabet Hartloop

Het eerste deel. Eerste Uitkomst. Oude Tobias. Jonge Tobias.

J. Tob. IS 't moog'lyk Vader, sluit den hemel dan 't meedoogen! Dat hy zo lang mag zien dit deksel op uw oogen: 't Geen zelfs de snootste hier op aarden wel geniet Is Vader als ontvreemd. O. Tob. O Jongeling, gy siet Door d'oogen uwer jeugd; hoe kan de jonge jaren 't Beloop des werelts of Gods wil zig evenaaren, Kunt gy Godts wysheid zelfs doordringen, sijn besluit, En waerom hier den mens zyn voorspoet wert gestuit Door rampen zonder tal: zo spreekt, en toont eerst reeden; Waerom de deugd hier meer als d'ondeugd wert bestreeden. J. Tob. Wie derft een Souverein beschuldigen zyn bestier, Zyn wil is ons een wet: sou 't schepsel derven hier Zyn Schepper na de reen van straf of zegen vragen? Ik acht des menschen pligt bestaat ook in't verdragen. O. Tob. Myn Zoon, gy antwoort wel; maar op myn voorstel niet, De oorsaak van de smert en 't moeijelyk verdriet, Dat veel de deugd bestryd, schijnt voor uw oog verborgen, Gy denkt ook ligt dat God 't zyne draagt geen sorge.

De Vroome wert hier steeds gekaatst gelyk een bal, En d'ondeug derft de troon, daar 't dertele geval Hem toejuigd met een kroon van half verslenste bloemen, Die flux verdwijnen, en niet waardig om te noemen. Myn Zoon, ziet op het goed dat roest noch mot verderft, Dat onverganklyk is; en eeuwig werd be-erft; Want Gods regtvaerdigheid laat hier de goddeloosen Genietten tot zyn deel 't onrustig lieflyk koosen Des werelds, voor een tyd, maar als de dood komt, is Haar einde d'afgrond, van een dikke duisternis: Daar wy, een korte tyd gelouterd in ellende, De deur van Gods genaad zig opend, om te enden Een ligtverloope nacht, geeft hy een schoone dag, Heeft dan, die lyd, geen troost, die't eeuwig hoopen mag. J. Tob. Een teegenwoordig kwaat valt moeilyk om te dragen, O. Tob. Myn kint, gedenkt dat God geduld zeer moet behaagen. Ik ben hier arm, 't is waar, maar rijk weer in 't gemoed, De ramp na 't lichaam, God inwendig weer versoet. J. Tob. Out, blint en arm, 't valt zwaar. O. Tob. Nog zwaarder sijn myn sonden, Om niet heeft 's hemels-regt noyt ketens aangebonden. J. Tob. Moet Vaders deugd dan ook mee leiden Gods dienstplicht, De dienst aan weeuw' en wees soo vlytig hier verrigt, Wat aangenaamheyt geeft aan u dees groene lommer Dit geurig veld-tapyt, 't is immers niet dan kommer En hertzeer, nu gy blint niet sien kunt, ook uw tret Is los, gy struykelt ligt waer gy uw voeten set; VVant dagligt schijnt uw nagt. O. Tob. 't Is dag in myn gedagten, Hoe soetlyk dit geheug wel eer myn oog toelagte Dunkt my nu nog te zien; d'inbeelding overwind De zaak, wyl mijn gedagt nu onverstrooit bevind, Door 't derven van 't gezigt. Maar Zoon, ik ben van 't wandlen

VVat moe, en wens na rust, eer dat we verder handlen Van 't geen ons is geschied. J. Tob. Rust Vader, op dees bank Hier door natuur gevormt, en om den tyd niet lank Te vallen is 't bekwaam; 't verhaal van Vaders leven Is lang aen my belooft, maar nog niet eens gegeven. O. Tob. Ach zo! dat rust. Maar Zoon, gy krabt myn wonden op; 'tHerdenken geeft opnieuw myn smert, ik heb de top Van 't ongeluk bereikt, hoewel verscheide malen Een weinig dwerrel-luk my d'adem dee herhalen: 't Is zestigmaal verjaart, en ses, dat Tobyeel Naast God my 't leven gaf: den vroomen Ananeel, Zyn Vader, was de Zoon van Aduy, die gesprooten Van Gaba'ls Asa'l zaat, die telden uit de looten Van Neftaly geteelt; myn Vader trof de dood In 't bloeien van zyn jeugd; des Aardryx naare schoot Omvat het koude lyk, dies bleef ik in de hoede Zyns moeders Debora, wiens deugd myn kintsheid voede Met onverderflyk stof, en spys die nooit verteert. Die d'eer van Isra'ls God, en zyn geboden leert: Geen feest-dag ging voorby, of'k bragt in 't huis des Heeren, Op 't Goddelyk altaar, met yver, d'eerste scheere Van 't sagtgewolde Vee. De vrugtbare aarden schoot Bragt noit geen vruchten voort, of d'eersteling genoot Het heilig Altaar Gods, daar booven ging mijn tiende Aan Levi, Aarons zaat, die binnen Salem diende, De Godsdienst was mijn doel, ik reisde meenigmaal Ook na Jeruzalem; dewijl den Afgod Baal In bossen wierd gevierd: Neftaly liet den waaren En leevendigen God, en bouwde Baals Altaaren Op alle hoogten op; men danste om 't koop'ren beeld, Met trommlen en gejuich, tot dat het Godverveeld' Dit langer aan te zien, dus raakt zijn toorn aan 't branden,

Een Heyr van Assiriers kwam onverziens aanranden Den aanhang van God Baal, na lange tegenstand En drie jaar bloed gestort, wiert eindlijk overmand Ja tot een roof vervoerd: en gy waart naau gebooren, Of uw onnozelheid werd slaverny beschooren; Van 't Heidens dwinglandy, doen Assers zeegenpraal Ons Ninive liet zien, trad Isr'el t'eenemaal Tot de verboode spijs: maar ik ontsag den Heere; Al wat Gods wet verbied ik uit mijn huis dee weere, Niet onreins dee mijn ziel bezoetlen, het gemoed Bleef rein van weetend kwaat. God, die de herten doet Heen wenden waar hy wil, en neigtze als de beeken, Bewoogden grooten Vorst my in het hof te steeken; Dies werd een slaaf een heer, een arme Isr'elijt, Door gunst een hoveling, tot d'inkoop ingewijt. Ik kweet mijn dienst getrouw, en reisde veel na Meden, Daar ik aan Gabaël, mijn waarde vriend besteeden, En in bewaaring gaf de som van tien talent, Dien ik nooit weder zag, door dien 't geluk zig wend En keerd my weer de nek; en Asser komt te sterven En laat de Prins, zijn zoon, het Rijk, en Kroon beërven, Dit baard verandering; soo dra Sennacherib De gulde Troon betrad, was hy het vliegend schip Een klip van ongeluk voor ons: hy dee beletten, Dat ik geen voeten dorst in Meden ooit meer zetten, Onbillikheid, geweld, en ongestaadigheid Vervoerd den Schepter-Heer de dolle gramschap zweyt Des Konings standaerd om! Dit koste tal van koppen, Den armen Isr'elijt moest hier de Moordlust stoppen, En sneuvlen door het zwaert, als ik mijn broeder zag Moordadiglijk vermoord, die op een misthoop lag Gelyk een dooden hond liet ik hem voort begraven, En bragt het doode lijk tot rust, maar eindlijk, gaven Een onbezonnen hoop my voor den Koning aan, 't Berigt van al mijn werk, doen was 't met my gedaan, Ik koos terstond de vlugt, verliet mijn eigen wooning;

Want ik had doen geen Vriend die voor my zogt verschooning: Daar op zo volgde voort de plondring van mijn goet, Vervreemt van Egtgenoot en Zoon, als balling, doet Zijn haat my zwerven heen; dog 't duurde weinig dagen, Of deze wreeden Vorst wierd zielloos weggedragen: Twee Zoons, uit puure zugt tot heerschen, hebben voort Haar Vader, voor God Baal neerbuigende, vermoort. J. Tob. O hemel! saagd gy dit? een kind zijn Vader dooden, En viel de bliksem niet! ontzien zy niet haar Goden? O. Tob. De Koningen haar wil zijn wetten overtuigd: Men oyt, een vorst, de God daar hy zijn knien voor buigd Is zelfs niet als een beeld: maar 't heldere oog des Heeren, Dat alles ziet, verschrikt de moorders, datse keeren Verbaast na 't hol gebergt, der hoogt van Ararat, Zijn zoon Prins Achirdoon, die 's Vaders troon betrad En voerd den schepter, kwam ook zagter te regeeren, 't Vervallen Jodendom verkoos hy tot Raadsheeren Van de voornaamsten uit: Mijn Broeders zoon bezint De jongste Vorst zo zeer, dat hy hem 't hoog bewint Van 't Hof in handen gaf, zo hoog dat hy de twede Naast Koninglijke macht, wiens gunst hem vryigheede Dee neemen, om genaa te smeeken, dat ik weer Mogt komen in 't bezit van 't huisgezin, in eer. Hy kreeg terstond zijn bee; ik kwam my weer vertoonen Tot Ninive, en ging zoo weer mijn huis bewoonen. J. Tob. Ik was doen noch zo jong, dat al die rampen aen My weinig kwelling gaf... Maar wie komt ginder gaan, 't Schijnt Moeder wel: wat zorg mag haar dus herwaart drijven? An. Vind ik u hier mijn lief? wat gaat gy lang uitblijven Alleen met Tobias, dus eenzaam? u mogt iet Ontmoeten tot uw schaa. J. Tob. Meent moeder, dat ik niet

Mijn Vader hoeden kan: 'k heb oogen, voeten, handen. An. Gy zijt noch jong, mijn kint; of imand u aanranden Uw handen zijn te zwak; al liept gy snel, wat raat Met Vader? hy is blint, en stootvoet waar hy gaat. Gy koost het haazepad, maar Vaader stond verleegen. J. Tob. Ey Moeder weest gerust; 't zyn immers vrye weegen Zoo naa aan Ninive. An. 't Is waar; maar 't daglicht daalt. Vergist uw tijd maar niet. J. Tob. Mijn Vader, die verhaalt Zijn rampen, en ook ons; dit doet my naarstig luistren. An. Daar meede zal de dag voorzeeker u ontduistren Door uw nieuwsgierigheid. Ik moet mijn wolgespin Nog brengen, als gy weet; en wijl nu niemand in Ons huis is, zo zoekt doch uw weg wat ras te spoeien. Ik ga dan heen, vaart wel. O. Tob. Ik zou my zelfs vermoeien, Als ik terstond zou gaan. I. Tob. Als 't Vader niet verdriet Begint hy weer zijn reên daar hy 't te vooren liet; My heugt noch eenigzins, hoe Moeders rouwgewaden Omringden 't teed're lijf, en al haar pronkcieraden Ging wisslen voor een zak: 't gezigt dat eertijds scheen Zoo helder en vol glans, stond dof door al 't geween; Geen straalend daglicht dreef de traanen uit haar oogen, Noch sluimerende nacht, die met haar vlies omtoogen, Tot aan uw wederkomst. O. Tob. Zy was geheel ontbloot, Als in een oogenblik, van goed en bedgenoot. Ik zwerfde gins en weer, onzeker waar mijn daagen Zou enden; tot mijn Vrouw, door haar weemoedig klagen, Door Achiachar mijn neef mijn wederkomst verkreeg. I. Tob. 't Gedenkt my noch zeer wel, hoe Moeder neederzeeg

In onmagt doen ze u zag, niet magtig om te draagen Zoo onverwagte vreugt. O. Tob. 't Verwellekom der maagen En vrienden wert volend: ik nam mijn huysbestier Weer aan gelijk voorheen, benevens d'oude swier Van leeven, van het geen my God doen had gegeeven, Bleef ik mildadig om den armen te doen leeven. Op 't Pingster-feest veel spijs my toebereid, beval Ik u draa heen te gaan en soeken overal Naa arme broederen, die God doen nog gedagte, Dat gy dat kleyn getal zou 't segge dat ik wagte Naa haar met middagmaal; gy gingt, maar keerde weer, En bragt my bootschap hoe een broeder lag ter neer Op 't midden van de markt de hartaar afgebrooken; Ik stond voort ylings op, en bracht de doodgestooken, Aanstonds zoo in een huys, en wies my, eer ik zat, Ter tafel, daar ik doen mijn spijs met droefheyd at. Ik weenden als ik dacht, hoe ons wierd voorgedraagen, Wel eer door 't Godlijk Woord van Amos, die zijn klaagen Uitsprak aan Israël, de dag die staat gereed, Dat vreugt in treurgeschrey, uw feestendag in leed Geheel verandren zal. De Zon was naeu verdweenen, De duystere avondstond viel neder, ik gink heene En groef de aarde uit, en liet het lijk in 't graf. De menschen zagen het, bespotten my, zijn straf, Sprak men, was te gering, was hy ook niet gevlooden Om deze zaak, en ziet, hy graaft al weeder dooden, Ik sweeg en gink voort weg, maar bleef doen aan de muur Om dat ik onreyn was, tot aan het morgen uur, En zoo 'k lag op mijn rug, steroogde naa om hooge, Het schoone dagligt straalde al schittrend in mijn oogen, Zoo voel ik onverwagt, dat ik noyt had gegist, Dat Mussen d'oude muur besaten, heete mist Dee druypen in mijn oog, waar door ik moest verliesen Mijn helder ooge-licht, 't wierd my bedekt met vliesen

Gy weet geen menschen hulp, noch aerdse handeling Heeft my gered, door konst of medicijn ontfing Ik 't minste scheemring niet, maar ben dus blind gebleeven; En wat de rest belangd, ons ongelukkig leeven Is u ook wel bekend. I. Tob. Niet meer dan al te veel; Hoe ongelijk is 't lot van d'een of d'anders deel? Men ziet het weeldrig Hof vol dertle Hovelingen Als wentlen in 't geluk; daar teegen, die 't bespringen Van 't dwers geval beproefd, 't werd zelden ingetoomd, Als dat smert en verdriet het doelwit overstroomd: Daar rijkdom weelden erfd, uit heugelijk verblijden; Vind armoed anders niet, als droef en treurig lijden. O. To. Dan laat men d'aardse steun, en hoopt alleen op God, 't Bouvallig dat verdwijnt, en 't zeeker blijft ons lot. Laat werelds dwers geval vry spuwen al zijn plaagen: Men denkt dan, God heeft reen; misdaaden moeten dragen De straffe die haar hoort, want anders, d'heel natuur Die tegens 't lijden strijd, bezweek; en 't leevens uur Wierd lichtelijk verkort. Al zijn wy neergeslaagen, Dat zelfs mijn waarde Vrouw geparst is zorg te draagen Door arbeit voor haar huis, wy lijden 't met gedult, 't Is hier een korten tijd te zuklen voor zijn schult. Het leven van den mens zijn schaduws, want haar daagen Verdwijnen in de lucht: gelijk gy uw behaagen Vind in een schoone bloem, die heeden heerlijk staat En pronkt op 't groene gras, en morgen weer vergaat, Zoo sluipt dit leeven heen. I. Tob. Van deze stof te spreeken, Zou 't Vader nergens meer als aan de tijd ontbreeken, Ook is 't niet raadzaam hier te blijven; want de nacht Diend ons niet, en zou ligt wel komen eer men 't dacht, Dies sal 't ons veiligst zijn dat wy aenstonds vertrekken,

Eer dat de duisternis het aardrijk komt bedekken, Wijl wy hier eenig zijn: als 't Vader dan belieft Zoo houd hy my maar vast, op dat geen val hem griefd.

binnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tobias · Elizabet Hartloop · Poetry Cove