IX.
De bloemenspraak is taal der liefdejaren;
En als het ja der minne is uitgesproken,
En als de tijd van d' echt is aangebroken,
Een bloemkrans siert der lieve bruid de haren.
En bloemen, die de schoonste tinten paren,
Zijn dan den bruigom op de borst gestoken, -
Symbool en wensch, dat hunne trouw, ontloken,
Steeds liefde en lust en heil en hoop doe gâren.
Geen menschenpaar gaat zich door d' echt vereenen,
Wier hand dat bond niet siert met frissche bloemen,
Wier huis en kleed geen bloementooi vertoonen.
De bloemen zijn 't, die poëzie verleenen
Aan 't leven; zij zijn 's levens geur te noemen, -
De bloemen zijn 't, die 't schoone bruidsfeest kronen.