II.
Zie! daar dalen ze uit den hemel,
Witte veêrkens uit het grijs,
En elk deeltje in dat gewemel
Is meetkunst, gegoten in ijs.
't Zijn figuren, schoon getrokken,
Regelmatig juist en fijn;
Elke vlok dier duizend vlokken
Is kunstwerk van vloeibaar satijn.
De eene is als een roos geschapen,
De and're is kristallijnen pluim,
't Derde vlokje is sterrewapen,
En 't vierde is een tandrad van schuim.
Allen zijn ze taal en teeken
Van des Scheppers wondermacht,
Uit des hemels hooge streken
Naar 't land van de menschen gebracht.