III.
Daar ligt ze op een stroozak,
In de ijzeren krib,
Met geelwitte wangen,
En loodgrauwe lip.
Haar hart is van wroeging
En vreeze vervuld;
Ze is kwijnende beelt'nis
Van armoê en schuld.
Ze denkt aan haar jonkheid, -
De weemoed wordt vlijm.
Ze denkt aan haar toekomst, -
Haar hoop ligt in zwijm.
't Gezelschap van vroeger
Liet wreed haar alleen;
De Rechter - - zij durft niet,
En moet er toch heen!