VI.
Haar tijd is gevloden,
Haar taak is volbracht.
Haar arbeid was zorgen,
Met liefde en met kracht.
God riep haar tot rusten.
Haar ruste zij zacht!
Zacht vielen die oogen,
Als sluimerziek, dicht.
Een heilige vrede
Omzweeft haar gezicht;
En 't is of heur slapen
Omkranst zijn van licht.
Maar echtvriend en kind'ren
Staan spraak'loos van smart,
Met tranen in de oogen,
Met doornen om 't hart;
En heden en toekomst
Is zwart, alles zwart!
Op 't lest geven allen,
Met snikkend geween,
Een kus nog aan moeder,
Nog een, en nog een, -
En gaan dan, nog omziend,
Van 't doodsleger heen.
Nu zie 'k eene vreemde,
Maar trouw en vertrouwd,
Wier hand, maar met beving,
Een sleutelbos houdt,
De lijnwaadkast opent,
Een laken ontvouwt, - -
Dat is voor de doode:
Haar laatste kleedij. -
Hoe wit en hoe zuiver! -
We denken daarbij
Aan 't sneeuwwitte feestkleed
Van de Engelenrij! -
Wat, groenend en blauwend,
Een sier was van 't veld,
Dat geeft, als ons leven
Voorbij is gesneld,
Het doek, dat als doodkleed,
Ons om wordt gespeld.