III.
Wat op 't land eens den stengel omkleedde, Woelde 't meisken om 't spinrokken heen; En haar voet drijft het wieltje tot draaien, En haar hand vormt het draadje meteen. En het radje vliegt om, Met een gonzend gebrom, Met een snorrenden spoed, - Maar 't gaat goed.
En een jonkman zit bij haar en keuvelt, En hij voegt steeds wat zoets bij heur naam, En hij praat haar van bruiloft en trouwdag, En hij fluistert: ‘dan blijven we saâm!’ En het radje vliegt om, Met een gonzend gebrom, Met een snorrenden spoed, - Maar 't gaat goed.
En haar streelen een vreugd en een hope, Waar haar hartje te sneller door slaat; En zij spint door de toekomst van beiden O, zoo'n helderen, blinkenden draad!
En het radje vliegt om, Met een gonzend gebrom, Met een snorrenden spoed, - Maar 't gaat goed.
Wat op 't land eens den stengel omkleedde, Woelde grootjen om 't spinrokken heen; En haar voet drijft het wieltje tot draaien, En haar hand vormt het draadje meteen. En het radje vliegt om, Met een gonzend gebrom, Met een snorrenden spoed, - Maar 't gaat goed.
En zij haalt voor de luist'rende kleinen De oude sprookjes alweêr uit de doos, Die zij allen haast kennen van buiten, Maar die evel zoo mooi zijn altoos. En het radje vliegt om, Met een gonzend gebrom, Met een snorrenden spoed, - Maar 't gaat goed.
En dan ook uit den Bijbel vertelt ze, Of van wat haar het leven al bood,
En ze wijst op de vluchtende jaren, En ze spreekt van den naad'renden dood. En het radje vliegt om, Met een gonzend gebrom, Met een snorrenden spoed, - Maar 't gaat goed.
Cookies on Poetry Cove