XV.
Der bloemen lof zij 't lied van stem en snaren,
Een psalm voor God wordt door haar opgezonden.
Wat macht, waardoor die wonderen ontstonden!
Aanbid, o mensch! onmachtig tot verklaren.
't Zijn kleur en geur, die in 't gebloemt' zich paren.
't Woord: ‘God is goed!’ wordt in de bloem gevonden. -
Een bloemkrans wordt door 't kind om 't hoofd gebonden;
De bloemenspraak is taal der liefdejaren;
De bloemen zijn 't, die 't schoone bruidsfeest kronen;
Zij zijn 't, die alle feestgenot verhoogen,
Die aan de kunstgaaf sier en steun verleenen;
Ook bij de smart kan nog het bloempje wonen;
't Wekt moed en kracht en kan de tranen drogen; - -
Kom meê naar 't veld! - De bloemen zijn verschenen.