Skip to content
1878

Bloemen en knoppen

Eliza Laurillard

II.

In de Stad der Zeven Heuv'len Kwam hij aan in 't boetekleed; En hij biechtte aan d'Opperpriester, Wat al goeds hij had verzondigd, wat al kwaads hij zich verweet.

‘Heil'ge Vader!’ sprak hij weenend, Neêrgeknield voor 's Pausen troon, ‘Leg mij straf op, - maar vergeef mij! Balsem 't diep verslagen harte van een ver verdwaalden zoon!’ -

‘U vergeven?’ klonk 't hem tegen, - ‘U vergeven? Zooveel kwaad? Hier is geen vergiff'nis moog'lijk, Of het zal ook moog'lijk wezen, dat deez' staf nog bloeien gaat.’

Moed'loos toog de ridder henen, Zonder troost en zonder hoop, En dat bittre: ‘Geen genade!’ Was een vuurdrop, die gestadig in 't doorkorven harte droop.

Maar toen sloeg die ziel aan 't muiten, Vloekend haar bestaan en lot, En, zich gansch aan 't kwaad versling'rend, Zoekt ze, - nu voor goed, - de ellende der gebloemde Venusgrot.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Bloemen en knoppen · Eliza Laurillard · Poetry Cove