II.
In gedachte voortgetreden
Naar een tijd, die komen zou,
Zag ik 't landvolk aan den arbeid,
Knaap en deerne, man en vrouw.
'k Hoorde 't praten, onder 't werken,
Van den ouden bouwknecht aan;
'k Hoorde 't liedekijn der jongen,
Helder klinkend, opwaarts gaan.
'k Zag de stengels uitgetrokken,
Drogende in den zonnebrand;
'k Zag ze, ter ontbinding, leeg'ren
In de sloot aan d' akkerrand.
'k Zag ze, aan 't grauwe nat onttogen,
Van de vezelhuid ontdaan,
'k Zag het braken, splijten, heek'len, -
Heel den arbeid zag ik aan.
En ik dacht: nu is verdwenen
Wat de pronk eens was van 't land;
Maar, moet zoo ons oog iets derven,
Winst er van houdt onze hand.
En ik dacht ook: 't menschenleven
Is vaak aan die plant gelijk:
Eerst na 't vallen van de tooisels,
Eerst na druk, aan gaven rijk.