III.
In 't schemeruurtje,
Meer luw dan warm,
Gaan, koutend, koozend,
Onzichtbaar blozend,
De twee gelieven arm in arm.
Ze fluist'ren zoetjes,
Maar rusteloos,
Van blijde wegen
En liefdezegen
En samenwezen voor altoos.
Ze teek'nen 't huisjen
Al voor hun geest,
Dat eens hun beiden
Zal woon bereiden,
En in hun harten is er feest.