II.
Gustaaf Adolf! gij zijt waardig,
dat het nageslacht u eer',
En de man zijn naaste zegge:
‘Dáár zonk deze strijder neêr!’
Maar geen beter cijns van eerbied
is u ooit gebracht geweest,
Dan door 't scheppen van de stichting,
die uw' naam heeft en uw' geest;
Stichting, die, van twisting verre,
liefst behoudt, versterkt, verbindt,
In 't verruimen van beklemden
plicht en taak en vreugde vindt;
Die daarbij niet vraagt naar leuzen, -
voor den volger van Calvijn
Niet iets anders dan voor Zwingli's
of voor Luther's vriend wil zijn;
Niet het nieuwe eenzijdig liefheeft,
ook niet enkel 't oude prijst,
Maar wier hart heeft plaats voor allen
en aan allen gunst bewijst;
Die dan ook heel de aarde rondgaat,
en, door grens noch taal gestuit,
Al de kind'ren der Hervorming
samen in haar armen sluit, -
Dit bewijzend, dat de Liefde
alle scheidingsmuren breekt,
En van alle wereldstreken
iedre taal verstaat en spreekt. -
Schoone stichting! Heilrijk voertuig,
Zweden's Koning! van uw' geest! -
Wat? Die geest is harte- en polsslag
van den Christus zelv' geweest.
Wie den Zwedensteen omwinden
met een lauwer, u ter eer,
Leggen daardoor óók hun hulde
bij den voet des Kruises neêr.