XI.
Zij zijn 't, die alle feestgenot verhoogen.
Ook leenen ze ons haar vormen en haar kleuren,
Om wie we hulde en eere waardig keuren
Te kronen, door hun kunstwerk opgetogen.
Waar zich eene uiting toont van 't kunstvermogen,
Die heel ons wezen uit het stof kan beuren,
Daar is het loon: de krans, vol gloed en geuren,
En prikkel ook tot nieuw en stouter pogen.
Zoo zijn 't de bloemen, die aan 't schoon zich hechten,
Dat uit een brein, dat uit een hart, kwam wellen,
Of dat gedachte en toon in zich vereenen.
't Zijn bloemen, die des kunst'naars hoofd omvlechten,
Die met haar geur bezielend hem verzellen, -
Die aan de kunstgaaf sier en steun verleenen.