VIII.
Een bloemkrans wordt door 't kind om 't hoofd gebonden.
En, zijn de kind'ren eens aan 't peil ontstegen
Der jeugd, en worden op des levens wegen
De maagd en jong'ling door elkaâr gevonden,
Dan spreken stil, bij 't zwijgen van de monden,
De bloemen uit, wat, in het hart gelegen
Dier twee, hun hoop, hun vreugd is en hun zegen, -
Het zielsgeheim, in bloemenspraak gewonden!
Wat speelgoed was in 's levens kindsche dagen,
Maar levend speelgoed, geurend, stralend, bloeiend,
Wordt later taal, om 't harte te openbaren;
Een schoone taal, die zonder woord kan vragen,
En antwoord geven zonder woord, maar gloeiend, -
De bloemenspraak is taal der liefdejaren.