III.
Een psalm voor God wordt door haar opgezonden,
Die van Zijn wijsheid zingt en alvermogen;
En met een ziel, aanbiddend opgetogen,
Aanschouwen wij de rijk bebloemde gronden.
Een kelk wordt hier, en daar een klok gevonden,
Een ster treft hier, en daar een pluim onze oogen;
Een bloemblad ginds, in schelpenvorm gebogen,
Een bloemblad daar, als rolle ineengewonden.
Wat tal van vormen! En - wat kleurenspeling!
Zoo krachtig hier, en daar zoo fijn en teeder!
Hoe smeltend zijn die tinten saâm verbonden!
Hier wit satijn, met purperen penseeling,
Daar paars fluweel, bemaald met gouden veder, - -
Wat macht, waardoor die wonderen ontstonden!