VI.
In 't schemeruurtje
Zit, vol gevoel,
Naar vroeger jaren
De mensch te staren,
Die eenzaam leeft in 't aardsch gewoel.
Hij denkt aan vrinden,
Ver van hem af;
Hoort stappen suizen
En stemmen ruischen
Van die al rusten in het graf.
Hij ziet hun schimmen,
Die langs den wand
Zich voortbewegen, -
Hij hoort hun zegen,
Hij voelt hun adem, grijpt hun hand.