VII.
Ook dat meldt de schelp me in het zwevend geluid,
Dat zacht uit haar plooien komt suizen.
Maar 'k breng haar nog eens aan het oor, en ik hoor
Nu dit uit haar holte nog ruischen:
Als de zee, in woede ontstoken,
Door den stormwind opgeruid,
Tegen 't dobb'rend schip komt spoken
En den afgrond opensluit;
Als de baren en de winden
Samen hunne kracht verbinden,
Tot verderven en verslinden,
Tot verminken en verslaan,
't Roer uit zijn geleding smijten,
't Want ontraaf'len, 't dek doen splijten,
Uit den romp de ribben rijten,
En al 't scheepvolk doen vergaan, -
Zeg dan, mensch: ‘ik ben onmachtig,
Mijn vermogen is een niet;
Maar de Heere God is krachtig,
Hij, die over de elementen, over storm en zee gebiedt!’
Als de mensch, bij 't raad'loos kermen
Van zijn broed'ren in den nood,
Aangedreven door ontfermen,
Voor hen worstelt met den Dood;
Als, hoe fel de orkanen loeien,
En hoe hoog de golven groeien,
De arm met kloeke kracht blijft roeien
En de liefde 't roer omklemt, -
Als de kroon komt op dat streven,
En om 't haast verloren leven,
Dat den naaste is weêrgegeven,
't Jubellied wordt aangestemd, -
Zeg dan, mensch: ‘het hart des Heeren
Kan niet minder zijn dan 't mijn';
Uit de menschheid kan ik leeren:
God, al doet Zijn macht vaak weenen,
onze God moet liefde zijn.’