IV.
Wat macht, waardoor die wonderen ontstonden! -
Ja! wond'ren zijn 't, die lieflijk-schoone bloemen;
En geen van hen, die we onze wijzen noemen,
Heeft van haar zijn de winds'len nog ontbonden.
‘Wat!’ sprak er een,Schefer. ‘als wij verklaren konden
De kleur, den geur dier bloemen, die wij roemen,
Geen vraag kon schier ons meer tot zwijgen doemen;
Der schepping sleutel ware dan gevonden.’
Ja! wond'ren zijn in elke bloem besloten,
In knop en kelk, in stampers en in stelen,
In cel en aâr, in wortelvlecht en blâren;
De korf der Lente, voor ons uitgegoten,
Blijft steeds zijn diepsten bodem ons verhelen, -
Aanbid, o, mensch! onmachtig tot verklaren.