XII.
Die aan de kunstgaaf sier en steun verleenen; - -
En, - waar geen licht van roem of vreugd mag schijnen,
Waar moeiten drukken, angsten, nooden, pijnen,
Daar spreidt de bloem vertroosting om zich henen.
Zeg me, of u niet de bloempjes troosters schenen,
Waar 't oog die vond in de enge raamkozijnen
Van wie in 't hart de zorgen voelen schrijnen,
Vergeet'nen zijn en stil en eenzaam weenen.
Ja! poëzie zijn zij in 't lijdend leven;
Ze brengen kleur nog in de grauwe dagen;
't Is of ze aan 't hart, dat bang is, deernis toonen.
En 't is, alsof ze ons in herinn'ring geven:
Nog bloeit de roos ook voor wie dist'len dragen;
Ook bij de smart kan nog het bloempje wonen.