II.
In mijn vaderland
Wordt de taal gehoord,
Die mijn oor en hart
Altijd 't meest bekoort, -
Taal, waarin ik van mijn moeder
de eerste woorden heb gehoord.
Taal, waarin ik dacht,
Sinds 'k gedachte had;
Taal, waarin ik sprak,
Taal, waarin ik bad,
Waar 'k van jongs af meê boetseerde,
wat 'k in hoofd en harte had.
't Is een zieleband,
Die me aan 't volk verhecht,
Dat in mijne spraak
't Hart voor me openlegt;
't Is de moedertaal, dat voel ik,
die me aan 't vaderland verhecht!