II.
Op het erf.
Ja! een deel van 's landvolks vreugde
Is verbonden aan 't genot
Van de ‘rijstenbrij met suiker’, -
Diep verband van hart en pot!
Zie, hoe kloek zich allen weren,
Bij hun vol en dampend bord,
Hoe 't gelaat van knaap en deerne
Steeds meer rond en glanzig wordt.
Nu de geur'ge vette ham nog,
En het paarlend, schuimend bier,
En de dikke krentenbollen, -
Dat is echte goede sier!
Dat is prettige open tafel,
Onder 't blauwe tentedoek
Van een held'ren zomerhemel,
In een koelen groenen hoek. -
Afgeloopen is de maaltijd,
En de danspartij vangt aan.
'k Zie er al een paar met vedels
Op twee leêge tonnen staan.
‘Heb je strammigheid of koû
In je heup of knie,
Hou je dan van daag maar dom;
't Gaat klikke, klakke, rommentom,
Van een, van twee, van drie!’
‘Als je Geert niet krijgen kan,
Pak je fluks Marie.
Harmen! geef Marie een zoen, -
Dat mag je nog wel zesmaal doen,
En zes is tweemaal drie!’
‘'t Meiske zucht: “ik ben zoo droef,
Wijl 'k geen knechtjen zie.”
Maar 't knechtjen is er al, - nou, kom!
Nou frisch een rondje, rommentom,
Van een, van twee, van drie!’ -
Nog een toertje, weêr een rondje
Doet de blijde, bonte schaar;
Maar in 't eind, - want alles eindigt! -
Is de tijd van scheiden daar.
Nu, 't was heerlijk, 't eten, 't springen,
't Vroolijk feest na 't zware werk; -
Wel te rusten! - Morgen Zondag!
Morgen ochtend roept de kerk.