VI.
Maar, - ook edeler macht
Zet hem moed bij en kracht. -
Zie! daar dobbert de boot,
Die tot redding uit nood
Is gebouwd en bemand.
Oog haar na van het strand.
Zie! zij daalt en zij stijgt;
En zij klautert en zijgt; -
't Spookt er woedend en fel;
't Is een golvende hel!
Maar de riemslag plast voort
Langs het hobb'lende boord,
En met koop'ren geluid
Roept de stuurman: ‘Vooruit!’
En vooruit roeit het volk
In de kokende kolk.
En ze naad'ren het wrak
Van het schip, dat daar brak;
En ze redden een mensch,
En nog één, - en hun wensch,
Om heel de angstige schaar
Uit het grimmig gevaar
Te verlossen, gaat door!
En langs 't schuimende spoor
Gaat het weêr naar de kust,
Onder blijdschap en lust.
En dáár klinkt het: ‘Hoezee!
Ziet! zij brengen ze meê!’
Ja, Goddank! 't is geslaagd,
Wat door Liefde is gewaagd.
't Was een hachelijk werk;
Maar de Liefde is ook sterk.
Door geen vrees overmand,
Steekt de Liefde haar hand
In de klem van den nood,
In den muil van den Dood;
En zij dankt haren God
Voor haar heilig genot,
Als haar wensch is beloond
En haar worst'ling bekroond.