III.
En ook, schoon 'k een kind van de menschheid moog' zijn,
En deele in haar hope en verblijden,
En weêrpijn gevoel' van haar vrees en haar pijn,
Welk lid van 't geheel die doe lijden;
Toch voel 'k de geschied'nis mijns levens het meest,
Aan 't lot van mijn natie verbonden,
Aan 't geen de historie mijns volks is geweest, -
Zijn daden, zijn deugden, zijn zonden.
De roem van die natie vooral is mijn roem,
Haar schande vooral mijne smarte;
Met name haar distel, vooral hare bloem,
Is distel en bloem voor mijn harte.
Het heden van mij en der vaad'ren verleên
Zijn saâm met één spoeldraad doorweven;
En 't heden mijns volks allermeest vloeit inéén
Met wat eens mijn kind'ren beleven.
En dáárom, mijn hart hecht zich meest aan mijn land,
Al heeft heel de wereld mij waarde; -
Zoo is heel het luchtruim voor 't blad van de plant,
Voor 't wortelnet één plekjen aarde.