IV.
Maar, nog ander geluid Komt de schelpholten uit, En dringt fluisterend door In het luisterend oor.
‘Geef acht!’ zoo ruischt het uit de schelp, ‘Zeg, hoort gij niet dat hoop'loos vragen? Verneemt gij niet dat jamm'rend klagen, En hoort ge niet dat angstig: ‘“Help?”’ ‘Help! Help!’ zoo klinkt het in uwe ooren,
Zoo klinkt het in uw sidd'rend hart, En heel uw ziel heeft pijn bij 't hooren Van dien zoo bangen kreet der smart. 't Schip is in nood! 't Is een strijd met den Dood! En de man als de vrouw, en de vrouw als het kind, Roept schreiend om redding, met wanhoop op 't wezen; Maar de woeste natuur let op smeeken noch vreezen, En een honende lach lijkt de loeiende wind. Hoor! de golfslag blijft tieren, En de stormwind blijft gieren; - Maar 't roepen neemt af. Hoor! het schreien wordt hijgen, En het hijgen wordt zwijgen, - - Verslonden zijn allen door 't woedende graf. -
Maar ginds zit een vrouw nog in hope te droomen, Dat eerlang haar echtvriend weer tot haar zal komen. En dáár wacht verlangend een moeder haar zoon; Hoe zou hij er uitzien, na 't zwerven en zwoegen? De rust zal hem goed zijn; een heerlijk genoegen, Zijn werken, en tevens haar wachten, tot loon.
Zoo droomt nog de liefde van wederontmoeten, Van zalige omhelzing en juichend begroeten,
Zoo steekt ze in de harten het feestlicht al aan, En weet niet, dat, wat zij nog 't hare blijft achten, Niet weder zal keeren, hoe lang zij moog' wachten, Zal wegblijven, immer. - ‘Dat schip is vergaan!’
Cookies on Poetry Cove