III.
In de kerk.
Sabbathsruste, Zondagsvrede Zweeft in 't zonnig landschap om. En het plechtig klokgebom Roept: ‘Dat ieder herwaarts trede! Kom naar 't huis des Heeren! kom!’
En de kleine dorpsgemeente Richt haar schreden naar de kerk, Over zodenvloer en zerk, - Dak van 't molmend doodsgebeente, - Om te loven 's Heeren werk.
En de leeraar, hoog van jaren, Maar met opgewekt gemoed, Met een aanschijn, rein van gloed, Zacht omlijst van grijze haren, Spreekt zijn woord daar, vroom en vroed:
‘'k Heb dikwijls d'oogsttijd al beleefd, Mijn vrinden! - maar 'k dacht alle keeren, 'k Denk thans ook weêr, aan 't woord des Heeren, Waarin Hij ons herinnerd heeft, Hoe God aan 't zaad, in de aard geborgen,
Terwijl wij slapen tot den morgen, En weêr tot d' avond werken, zorgen, In stilte groei en wasdom geeft.Marc. IV:26-29. Dat wonder is op nieuw geschied: Gij wierpt de korr'len in de voren; God was het, die Zijn zon deed gloren En die Zijn regen dalen liet. En nu, gij mocht, als vroeger jaren, Het graan weêr in de schuur vergâren; Juicht nu te zaâm, met stem en snaren: “'t Is Zijn gewrocht, maar 't onze niet!” Hij opent trouw Zijn milde hand; Zijne almacht en Zijn goedheid tevens, Nooit gevens moê, voedt alle levens, Bestrooit met gaven 't gansche land. Neemt, vrinden! aan, wat Hij wou schenken, Maar, - blijft bij dat genot bedenken, Dat ge uwer zielen recht zoudt krenken, Als ge aan het stof ze hieldt verpand. De mensch leeft niet alleen bij 't brood, Dat opgroeit uit het veld der aarde: God gunt u brood van hooger waarde,
Dat voedt voor 't leven zonder dood. God gunt u vrede en hoop in 't leven, En moed en kracht bij 't voorwaarts streven; - Zijn werk is zegenen en geven; - De Heer is goed, zoo goed, als groot.’
Zoo spreekt de grijsaard. En de monden Van allen gaan Gods macht verkonden En zingen 's Vaders liefdeblijk: ‘Gij, Heer! schenkt alles; Gij verzadigt, Gij helpt, Gij sterkt, Gij begenadigt Uw scheps'len door Uw grensloos rijk; Al waar U Uwe werken prijzen, Wilt Gij U groot en goed bewijzen; Wie is, o God! aan U gelijk?’Evang. Gez. CLXVII:4.
En de oude man treedt af, maar draagt in 't hart de bede: ‘God! geef hun, mèt de spijs, 't geloof, de hoop, den vrede!’ En als zijn voet het vlak der koude zerken raakt, Dan denkt hij aan de Macht, die 't doode levend maakt, En aan een hoog'ren oogst, waarvan de dag genaakt.
Cookies on Poetry Cove