IV.
't Is Gustaaf Adolf weder,
Dien mijn verbeelding ziet,
En 'k hoor hem 't woord herhalen:
Neen, broeders! duldt dat niet!
En nevens hem treedt Luther,
Die trouw de hand hem biedt,
En die, als hij, ons toeroept:
Neen, broeders! duldt dat niet!
'k Zie Willem van Oranje,
Die op dat tweetal ziet,
En aan hun woord zich aansluit:
Neen, broeders! duldt dat niet!